-
1 ervaring
♦voorbeelden:dat is weer een ervaring rijker • you can chalk that up to experienceveel ervaring hebben • be highly experiencedde ervaring leert dat …, uit ervaring is gebleken dat … • experience shows that …(de nodige) ervaring opdoen/missen • gain (the necessary) experience, lack (the necessary) experienceervaringen uitwisselen • compare noteservaring vereist • experience requireduit ervaring weten • know from experience -
2 uit ervaring weten
uit ervaring wetenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > uit ervaring weten
-
3 uit
uit1I 〈 bijwoord〉1 [met betrekking tot een richting naar buiten] out2 [met betrekking tot een bestemming/beweging] 〈zie voorbeelden 2〉3 [met betrekking tot het doorlopen van een tijdruimte] out4 [+ er/daar] 〈zie voorbeelden 4〉♦voorbeelden:uit eten gaan • go out for dinnerAjax speelt volgende week uit • Ajax are playing away next weekuit werken gaan • go (out) to work2 moet je ook die kant uit? • are you going that way, too?voor zich uit zitten kijken • sit staring into space3 dag in, dag uit • day in, day out4 ik ben er uit • 〈 ik heb het opgelost〉 I've solved that problem; 〈 ik begrijp het helemaal〉 I'm in the picture nowik zou er graag eens uit willen • I would like to get away for a whilede aankoop heb je er na een jaar uit • the purchase will save its cost in a year¶ ik kan er niet over uit • I can't believe it/get over itII 〈bijvoeglijk naamwoord; niet attributief〉2 [afgelopen] over3 [niet brandend] (gone) out5 [ouderwets] out6 [verschenen, gepubliceerd] out7 [in bloei] out♦voorbeelden:de bal is uit • the ball is outdie vlek gaat er niet uit • that stain won't come outuit, goed voor u! • get away from it all!het is uit tussen hen • it is finished between themen nou is 't uit! • this has got to stop!het is uit met de pret • the game is over nowik doe het niet, punt uit! • I won't do it, and that's final!de lamp is uit • the light is out/off4 op iets uit zijn • be out for/after somethinghij is er alleen maar op uit om te winnen • his sole aim is to win————————uit2〈 voorzetsel〉2 [verwijderd van] off3 [te buiten, te boven gaand] out of4 [afkomstig van, door middel van] (out) of♦voorbeelden:uit het raam kijken • look out of the windoween speler uit het veld sturen • order a player off (the field)ik kan de tweeling niet uit elkaar houden • I can't tell which of the twins is which/the twins apartuit elkaar vallen • break to piecesuit één stuk • (all) of a piecekiezen uit drie mogelijkheden • choose from three possibilitieséén uit de twintig/duizend • one in twenty/a thousand5 uit bewondering • out of/in admirationuit betrouwbare bron is vernomen • we have it on good authorityzij trouwden uit liefde • they married for loveuit veiligheidsoverwegingen • for safety('s sake)uit voorzorg • by way of precaution -
4 iets uit ervaring kennen
iets uit ervaring kennenVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > iets uit ervaring kennen
-
5 wijs
wijs1〈de〉2 [melodie] tune3 [taalkunde] mood♦voorbeelden:bij wijze van spreken • so to speak, as it werebij wijze van uitzondering • as an exceptionop de een of andere wijze • one way or anotherop deze/die wijze • 〈 ook〉 like this/thatop generlei/geen enkele wijze • in no wayop enigerlei wijze • in any waywijze van betaling • method of payment2 hij kan geen wijs houden • he sings/plays out of tunewijs houden • keep/sing/play in tuneeen lied zingen op de wijs van de Internationale • sing a song to the tune of the Internationalehij was helemaal van de wijs • he was completely at sea3 〈 van werkwoord〉 de aantonende/aanvoegende/gebiedende wijs • the indicative/subjunctive/imperative (mood)————————wijs21 [verstandig, (veel) wetend] wise2 [kindertaal] [erg leuk, goed] super♦voorbeelden:een wijs man • a wise manben je niet (goed) wijs? • are you mad/crazy?ben je wel wijs? • 〈 ook〉 are you in your right mind?hij is niet wijzer • he doesn't know any betteriemand door schade en schande wijs laten worden • give someone enough rope to hang himselfwees wijs • be smartik werd er niet/geen cent wijzer van • I came away none the wiserik kan er niet wijs uit worden • I can't make head or tail of itje wordt niet wijs uit hem • you can't get anything out of himhij zal wel wijzer wezen • he knows better than thathij zal nooit wijzer worden • he'll never learnde wijste zijn • give in, accept things (as they are)vroeg wijs • precocioushet kind is wijs voor zijn leeftijd • the child is very knowing for its age -
6 leren
leren1〈bijvoeglijk naamwoord; alleen attributief〉1 leather♦voorbeelden:————————leren21 [kundigheid, kennis verwerven (van)] learn ((how) to do)2 [doen inzien] teach♦voorbeelden:een vak leren • learn a tradedat moet je leren eten • that's an acquired tasteiemand leren kennen • get to know someoneop dat gebied kun je nog heel wat van hem leren • he can still teach you a thing or twowe kunnen van hem nog wel iets leren • we still have something to learn from himmet iets leren leven • learn to live with somethingleren lopen • learn to walkhij wil leren schaatsenrijden • he wants to learn (how) to ice-skatehij leert moeilijk/vlot • he's a slow/fast learnersommige mensen leren het nooit • some people just never learniets perfect leren (beheersen) • master somethingdoor ervaring leren • learn by experienceeen mens is nooit te oud om te leren • one is never too old to learnuit die roman leren we dat … • that novel teaches us that …van zijn ervaringen leren • learn from one's experiencesiets al doende leren • pick something up as you go alongiets van buiten/uit het hoofd leren • learn something by heart2 de ervaring leert … • experience teaches …dat zal je leren • that'll teach youik zal je leren (dat arme dier te plagen) • I'll teach you (to tease that poor animal)3 haar kinderen kunnen goed/niet leren • her children are good/no good at schoolvoor dokter leren • study to be a doctorhij heeft weinig geleerd • he's had little (formal) schoolingII 〈 overgankelijk werkwoord〉1 [onderrichten omtrent] teach (something to someone/someone (how) to do something)♦voorbeelden:iemand leren lezen en schrijven • teach someone to read and write2 waar heb jij zo leren vloeken? • where did you pick up such swearwords?hij leert het al aardig • he's beginning to get the hang of it
См. также в других словарях:
experience — ex‧pe‧ri‧ence [ɪkˈspɪəriəns ǁ ˈspɪr ] noun [uncountable] 1. knowledge or skill gained from doing a particular job: • He is a high up executive who has years of experience in advising investors • Applicants will normally have at least two years… … Financial and business terms
know — 1 verb past tense knew, past participle known INFORMATION 1 (intransitive, transitive not in progressive) to have information about something: Who knows the answer? | Do you happen to know the time? | When are they arriving? Maybe Mrs. Mott knows … Longman dictionary of contemporary English
know — know1 [ nou ] (past tense knew [ nu ] ; past participle known [ noun ] ) verb never progressive *** ▸ 1 learn/understand ▸ 2 be familiar with ▸ 3 use particular name for ▸ 4 remember someone for something ▸ 5 experience ▸ 6 have learned something … Usage of the words and phrases in modern English
know — I UK [nəʊ] / US [noʊ] verb [never progressive] Word forms know : present tense I/you/we/they know he/she/it knows present participle knowing past tense knew UK [njuː] / US [nu] past participle known UK [nəʊn] / US [noʊn] *** Ways of saying I don… … English dictionary
experience — ex|pe|ri|ence1 W1S1 [ıkˈspıəriəns US ˈspır ] n ▬▬▬▬▬▬▬ 1¦(knowledge/skill)¦ 2¦(knowledge of life)¦ 3¦(something that happens)¦ 4 the black/female/Russian etc experience 5 work experience ▬▬▬▬▬▬▬ [Date: 1300 1400; : French; Origin: Latin… … Dictionary of contemporary English
experience — {{Roman}}I.{{/Roman}} noun 1 knowledge/skill obtained by seeing/doing sth ADJECTIVE ▪ considerable, extensive, great, long, vast, wide ▪ limited, little … Collocations dictionary
know — [nō] vt. knew, known, knowing [ME knowen < OE cnawan, akin to OHG cnāhan < IE base * ĝen , *ĝnō , to know, apprehend > CAN1, KEN, L gnoscere, to know, Gr gignōskein] 1. to have a clear perception or understanding of; be sure of or well… … English World dictionary
know — know1 W1S1 [nəu US nou] v past tense knew [nju: US nu:] past participle known [nəun US noun] ▬▬▬▬▬▬▬ 1¦(have information)¦ 2¦(be sure)¦ 3¦(be familiar with somebody/something)¦ 4¦(realize)¦ 5¦(skill/experience)¦ 6¦(know somebody s qualities)¦ 7… … Dictionary of contemporary English
experience — 1 noun 1 KNOWLEDGE/SKILL (U) knowledge or skill gained while doing a job (+ in): Karl has considerable experience in modern methods of diagnosis. | political/teaching/computing etc experience: The job requires no secretarial experience. |… … Longman dictionary of contemporary English
know — [c]/noʊ / (say noh) verb (knew, known, knowing) –verb (t) 1. to perceive or understand as fact or truth, or apprehend with clearness and certainty. 2. to have fixed in the mind or memory: to know a poem by heart. 3. to be cognisant or aware of;… …
experience — n. practice participation 1) to acquire, gain, gather, get experience from 2) broad, wide; direct, firsthand; hands on; practical; previous experience 3) a learning experience 4) experience to + inf. (they don t have enough experience to do the… … Combinatory dictionary